Het varken is de afgelopen eeuwen op bijzondere wijze geëvolueerd. Om voldoende nakomelingen voort te brengen, produceert een mannetjesvarken (de beer) bij elke paring niet alleen bijzonder veel spermacellen (> 100 miljard) in vergelijking met andere zoogdieren, maar ook bij het vrouwtjesvarken (de zeug) komen 20 tot 30 eicellen vrij. Zo komt uiteindelijk een toom van 8 tot 15 biggen ter wereld. De natuur heeft bij het varken – in tegenstelling tot bij de meeste andere zoogdieren – gekozen voor grote aantallen per worp, om natuurlijke vijanden en biologische tegenslagen adequaat te ondervangen.

Biggensterfte

Het gedomesticeerde varken staat al decennia bekend om worpen van 8 tot 12 biggen, waarvan er meestal al 1 big dood is bij de geboorte. Tijdens de zoogperiode is er vaak een uitval van nog 1 of soms zelfs 2 biggen. Ook het wilde varken (Sus Scrofa) dat in Nederland en andere, ons omringende landen voorkomt, brengt per worp 5 tot 12 biggen voort. Ook hiervan is er bij de geboorte vaak al eentje dood. De eerste levensweken drinken de biggen melk bij hun moeder. Hoewel het wilde varken geen natuurlijke vijanden heeft, sterven later ook nog 1 of 2 biggen voordat ze de moeder verlaten om zelf op zoek te gaan naar voedsel.

Uitval terugdringen

Voor de varkenshouderij is het varken met zijn eigen intrinsieke waarde uitgangspunt voor een duurzame en maatschappelijk verantwoorde productie van vlees. Enerzijds wordt de uitval van varkens daarom ‘geaccepteerd’, anderzijds hebben varkenshouders en de varkenshouderij als geheel natuurlijk wel belang bij het terugdringen van die uitval: zowel van de doodgeboren biggen als van de biggen en varkens die later sterven. Op een varkensbedrijf krijgen de biggen de eerste levensweken melk van de moeder en daarna gaan ze geleidelijk over op vast voedsel. Natuurlijk zorgt de varkenshouder ervoor dat de varkens elke dag voldoende voer krijgen met een uitgebalanceerde samenstelling.