Varkenshouders hebben er alle belang bij dat de sterfte onder varkens zo laag mogelijk is. Vanwege arbeidsvreugde en dierenwelzijn, maar uiteraard ook om economische redenen. De sterfte van varkens is echter een natuurlijk gegeven. De natuur heeft het varken zo ontwikkeld dat het per worp grote aantallen nakomelingen voortbrengt. Dit als ‘strategie’ om natuurlijke vijanden en biologische tegenslagen te compenseren.

Sterfte tijdens of na de geboorte

De sterfte van varkens heeft verschillende oorzaken en hangt sterk samen met de levensfase waarin een varken verkeert. Per toom wordt gemiddeld één big dood geboren. Dat komt overeen met 5 tot 7%. Dit zijn de biggen die tijdens het geboorteproces sterven vanwege zuurstofgebrek. De meeste sterfte onder de levend geboren biggen vindt plaats in de eerste drie dagen na geboorte. Gemiddeld 12 tot 13% van de levend geboren biggen sterft dan. De belangrijkste oorzaak: het dooddrukken van biggen door de zeug. Zeugen zijn relatief groot en zwaar vergeleken met pasgeboren biggen. Biggen die te dicht in de buurt van de zeug komen als die net gaat liggen, lopen het risico om doodgedrukt te worden. Verder hebben fysiek zwakke biggen een verhoogde kans om te sterven als ze niet in staat zijn om direct na de geboorte voldoende biest te drinken.

Sterfte na spenen

Na het spenen, gaan de biggen een nieuwe levensfase in met andere risico’s. De biggen zijn dan gemiddeld 25 dagen oud (wettelijk minimaal 21 dagen in Nederland). De sterfte van varkens in de periode tussen het spenen en de slacht, bedraagt 1 tot 5%. In deze fase vormen ziektes de belangrijkste doodsoorzaak.

Afvoer van dode varkens

De regels voor de afvoer van gestorven varkens op varkensbedrijven zijn opgenomen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). Gestorven dieren worden opgehaald en verwerkt door een destructiebedrijf. In Nederland is één bedrijf (Rendac) verantwoordelijk voor de inzameling van gestorven biggen en varkens.